uit Roméo et Juliette
muziek Hector Berlioz / tekst Emile Deschamps
Als uit de hel laaiden ze weer op,
de oude, ingesluimerde gevoelens van wrok,
Capulets en Montaigus: twee vijandige huizen
die in Verona de zwaarden kruisen.
Maar aan dit bloedige schouwspel
maakte de Prins een einde snel:
gedood wordt wie zich tegen zijn bevel
beroept op de rechtspraak van het zwaard.
In deze tussenpoos van peis en vree
gaf de aanvoerder der Capulets een feestelijk diner.
De jonge Romeo echter, zich zijn lot beklagend,
doolt doelloos rond, terneergeslagen.
Want met heel zijn hart bemint hij Juliette,
dochter van de vijanden van zijn adellijk geslacht.
De klank der instrumenten, de melodieuze gezangen
stijgen op uit schitterende gouden zalen en gangen
en zwepen op tot dans. Iedereen schaterlacht.
En na 't feestgedruis,
wanneer alle geluid verstomt,
gaan de vermoeide dansers naar huis;
de nagalm van hun gezangen
verwijdert zich doorheen de zuilengangen.
Helaas! en Romeo zucht,
want Juliette moest hij verlaten.
En plots, om nog dezelfde lucht
in te ademen die zij inademde,
klimt hij over de tuinmuur.
Daar verschijnt de blanke Juliette op haar balkon,
en zich alleen wanend tot aan de ochtendzon,
bekent ze de nacht haar liefdesvuur.
Met bonzend hart door angstige vreugde bevangen,
onthult Romeo haar zijn liefde puur
en ook uit zijn hart slaan de vlammen.
Eerste liefdesroes die niemand ooit vergeet!
Eerste bekentenissen, eerste liefdesleed,
twee minnaars onder dit Italiaanse sterrenkleed,
in deze zwoele en windstille lucht,
die naar oranjebloesem geurt,
waar in een langgerokken zucht,
de nachtegaal z'n klagend lied verheft en treurt
Welke kunst, in haar uitverkoren taal,
doet van uw hemelse geneugten het verhaal?
Eerste liefde, ben je niet verheven boven alle poëzie,
of ben je, in dit sterfelijk ballingsoord,
dan niet veeleer de poëzie zelf:
enkel Shakespeare had haar geheim gehoord,
maar hij nam 't met zich mee naar 't hemelgewelf!
Gelukkige kinderen, uw hart is ontvlamd,
verbonden door een liefdesband,
in een toevallige blik gesmeed:
één ziel voortaan die beide leven deed.
Verberg het goed in 't schaduwrijk lover,
dit goddelijk vuur dat jullie verteert,
een zo zuivere passie, een liefdestover
die haar woorden tot tranen keert.
Geen koning zal 't in gedachten kunnen klaren
de verrukkingen van jullie kuise geneugten te evenaren.
Gelukkige kinderen! Geen enkele schat, geen enkel goed
dat ook maar één glimlach van jullie vergoedt.
Geniet honderduit van deze beker vol honing
waaruit de engelen, die jullie liefde benijden,
't geluk putten aan Gods rechterzijde.
uit Erwartung
muziek Arnold Schönberg, tekst Marie Pappenheim
Hoe lief, hoe lief ik je had...
Ver van alles leefde ik… van iedereen vervreemd.
Ik kende alleen maar jou... dit hele jaar, sedert jij voor het eerst mijn hand nam...
Oh, zo warm... nooit had ik iemand zo lief...
Jouw lachen en jouw praten...
Ik had je zo lief...
Mijn liefste... mijn enige liefde... heb je haar vaak gekust?... terwijl ik van verlangen verging...
Heb je haar erg lief gehad? Zeg niet: ja...
Je lacht smartelijk... wellicht heb ook jij geleden… wellicht riep jouw hart haar na? Wat kon je er aan doen?
Oh, ik vervloekte je…
Maar jouw medelijden maakte me gelukkig…
Ik geloofde dat ik gelukkig was…
Liefste, liefste, de morgen breekt aan…
Wat moet ik hier alleen? In dit eindeloze leven… in deze droom zonder grenzen of kleuren... want mijn grens was de plaats waar jij vertoefde… en alle kleuren van de wereld kwamen uit jouw ogen...
Het licht zal voor iedereen schijnen… maar ik alleen in mijn nacht?
De morgen scheidt ons... steeds de morgen...
Hoe zwaar kus je ten afscheid…
Opnieuw een eeuwige dag van wachten… oh, jij wordt niet meer wakker.
Duizend mensen komen voorbij… ik herken je niet. Iedereen leeft, hun ogen fonkelen…
Waar ben je?
Het is donker…
Jouw kus is als een lichtpunt in mijn nacht… mijn lippen branden en stralen... jou tegemoet…
Oh, ben je daar…
Ik zocht…
If music be the food of love
muziek Henry Purcell
Als muziek het voedsel voor de liefde is,
blijf dan zingen tot ik van vreugde ben voldaan,
want zo ontroer je mijn luisterende ziel
met genoegens die nooit kunnen tegenstaan.
Je ogen, je gelaat, je tong openbaren overal
dat je muziek bent, een en al.
De geneugten doordringen oog en oor,
zo fel is de verrukking dat ze wonden slaat,
en al mijn zintuigen genieten, zijn smoor,
hoewel dit genot slechts uit klank bestaat.
Ik verlies me gewis in jouw charme,
tenzij je me redt in jouw armen.
Wann sich der werte Gast
muziek Johann Erasmus Kindermann
Wanneer de dierbare gast, de ziel, nu zal scheiden
en de schoot van haar lichaam, die knusse woonst, zal mijden,
ach God, wat voor een gejammer weerklinkt er dan?
Hoe bitter is ’t afscheid eer men vertrekken kan!
Wanneer de ene vertrouwde ziel de andere moet verlaten,
wat een weemoed wordt daarbij dan achtergelaten?
Een dag is een heel jaar, en de aangename nacht
wordt zonder slaap met verdriet en zorgen doorgebracht.
Ach, dat de natuur me niet toestond
een lieflijk gedicht te schrijven, zoals Naso kon,
en zoals Orpheus, die op Hemus’ klippen zong
en vandaaruit overal in woud, berg en dal weerklonk.
Maar als jij er meteen zou zijn wanneer de zon opstaat
en ik ’s avonds, wanneer Hesperus stralen gaat,
dan zal niets ons scheiden, mijn hart blijft jou nabij,
in voorspoed en gevaar, je hart blijft bij mij.
Ach Liebste, laß uns eilen
muziek Johann Erasmus Kindermann
Ach liefste, laten we ons haasten,
dan hebben we voldoende tijd,
hier nog langer dralen
schaadt ons beiderzijds.
De edele gaven der schoonheid
vluchten voet voor voet
omdat al wat we hebben
ook verdwijnen moet.
De sierlijke wangen worden dof,
het haar wordt grijs,
het vuur in de ogen dooft,
de bronst wordt ijs.
Het koralen mondje koud
en vormeloos
de handen als sneeuw zo broos
en jij wordt oud.
Laat ons dan nu genieten
van die jeugdige vrucht
voordat we de jaren
moeten volgen in hun vlucht.
Waar jij jezelf liefhebt,
heb dan ook mij lief,
Geef mij dat, want als jij geeft,
dan verlies ook ik.
uit Orphée aux Enfers
muziek Jacques Offenbach, tekst Hector Crémieux
Leve Pluto! Leve de wijn!
Wat de mensen zeggen zal ons worst zijn!
O goddelijke onstervelingen
die zich met oude wijn hebben bedronken:
laten we nu de god bezingen
die met een ijzeren kroon loopt te pronken.
Zijn geliefde plekje wordt ook ons stekje.
Wil men iets van 't leven vatten,
dan moet men zich in de hel bezatten!
uit I Puritani
muziek Vincenzo Bellini, tekst Carlo Pepoli
De pijn bezwaart mijn hart met lood
en zal pas rusten in de dood...
Ach, nu verlies ik jou voorgoed,
liefesblomme die mij hopen doet.
Het leven dat nog komen zal
is slechts gevuld met bitt're gal...
Wanneer ik jarenlang ronddool
en aan 't ongeluk val ten prooi,
trotseer ik deze droeve smart
hopend op jouw minzaam hart.
uit Wintermärchen
muziek Philippe Boesmans, tekst Luc Bondy & Marie-Louise Bischofberger naar William Shakespeare
Als je weent, zou ik je tranen wissen
om ze te branden in mijn ogen.
Als je lacht, zou ik je mijn stem geven
en verstillen, stil.
Als je danst, zou ik willen dat je een golf bent in de zee,
dat je nooit méér moet doen dan dat: steeds bewegen
steeds zo zegen ik de tijd toen mijn trouwe valk
haar weg baande over jouw vaders land.
Elke daad van jou, zo bijzonder in elk detail,
kroont wat jij thans doet,
zodat al jouw handelen koninklijk is.
uit het Requiem
Rechtvaardige, wrekende rechter,
schenk me vergiffenis, spreek me vrij,
de dag des oordeels is nabij.
Kreunend, als veroordeeld tot de dood,
kleurt berouw mijn wangen rood,
ik smeek U, Heer, spaar me.
Die Maria hebt vergeven,
en de zondaar hebt aanhoord,
hebt ook mij hoop gegeven.
Mijn gebeden zijn onwaardig,
maar Gij die goed zijt, wees me genadig,
dat ik niet eeuwig branden moet in 't vuur.
Laat me bij Uw schapen weiden,
wil mij van de bokken scheiden,
en leid me naar Uw rechterzijde.
Als de verdoemden zijn verjaagd
en in de hete vlammen zijn gedaagd,
roep me dan met de geredden.
Op mijn knieën smeek ik U,
mijn hart haast tot as herleid,
sta me bij in mijn stervensuur.
Im Haine
muziek Franz Schubert, tekst Ritter von Bruchmann
Zonnestralen, hoe ze door de dennen nederdalen,
weghalen hiervandaan alle smart
en in 't hart woont slechts zuivere vrede.
Stil suizen zachte briesjes, en bruisen zoete geuren
die zich neigen uit de twijgen, ademen over 't hele veld. Konden maar steeds donkere bomen, zonneschijn,
groene zomen om ons bloeien, ons omgloeien,
de sporen wissen van alle pijn!
In stiller Nacht
muziek Johannes Brahms, uit Deutsche Volkslieder
In de stille nacht, bij de eerste wacht,
begon een stem te klagen,
de nachtelijke wind heeft zoet en zacht
de klank naar mij gedragen.
Van treurnis en wrange pijn is mijn hart gebroken,
de bloempjes zijn met tranen rein
door mij toen al' begoten.
De mooie maan wil ondergaan,
voor 't leed wil zij nu schuilen,
de sterren blijven glinsterend staan,
zij willen met mij huilen.
Geen vogelzang of liedje blij
weerklinkt in d'hemelhoven,
wilde dieren treuren mee met mij,
op rotsen en in kloven.
Afscheidsbrief van Virginia Woolf
Liefste,
ik voel duidelijk dat ik weer gek word. Ik denk dat we zo'n verschrikkelijke periode niet nogmaals kunnen doorstaan. En ditmaal zal ik ook niet opnieuw gezond worden. Ik hoor stemmen en kan me niet concentreren. Dus doe ik wat met het beste lijkt. Jij hebt me het grootst mogelijke geluk geschonken. Jij bent voor mij in alle opzichten alles geweest wat een mens voor iemand kan zijn. Ik denk niet dat twee mensen gelukkiger konden zijn, totdat deze verschrikkelijke ziekte uitbrak. Ik kan niet meer vechten. Ik weet dat ik je leven vergal, dat jij zonder mij zou kunnen werken. En dat zul je, dat weet ik. Je ziet, zelfs dit kan ik niet treffelijk schrijven. Ik kan niet lezen. Wat ik zeggen wil, is dat ik al het geluk uit mijn leven aan jou te danken heb. Je was oneindig geduldig met mij en ongelooflijk goed. Dat wou ik je zeggen – iedereen weet dat dit zo is. Als iemand me had kunnen redden, dan was jij het. Alles heeft me verlaten, behalve het zekere besef van jouw goedheid. Ik kan jouw leven niet langer vergallen. Ik denk niet dat twee mensen gelukkiger konden zijn dan wij. V.
Als Orpheus schlug sein Instrument
Gabriel Voigtländer
Wanneer Orpheus zijn lier bespeelde
en daar zo zoet bij zong,
ontroerde hij kundig alle dieren
en ook bossen, stenen en rivieren.
Wanneer hij Eurydice bezong,
en met zijn harp terstond
heel Thracië bedwong,
zette hij iedereen aan het dansen.
En ook vandaag nog wanneer men musiceert,
wordt menig mensenhart gecharmeerd.
O muziek, jij edele kunst,
bent waardig alle eer en gunst.
Ik kan niet zeggen hoeveel goeds
in muziek is verborgen.
Zij bevalt god en mensen zo goed,
muziek verdrijft de zorgen.
Muziek verjaagt de treurigheid,
muziek verfrist de geest.
Muziek brengt vreugde, doodt de tijd
en bereidt ons steeds een feest.
Muziek heb ik lief zolang ik leef
en vrolijk mijn stem verhef
en zing: O muziek, hemelse kunst,
jij bent waardig alle eer en gunst.
Verklärte Nacht
muziek Arnold Schönberg, tekst Richard Dehmel
Twee mensen gaan door het kale kille bos;
de maan loopt mee, ze kijken haar aan.
De maan loopt over hoge eiken,
geen wolkje vertroebelt het hemellicht,
waarin de zwarte takken reiken.
De stem van een vrouw spreekt:
Ik draag een kind, en niet van jou,
ik ga in zonde naast je.
Ik heb me zwaar aan mezelf vergrepen.
Ik geloofde niet langer in een beetje geluk
en had toch een hevig verlangen
naar levensinhoud, naar moedergeluk
en plicht; daarom heb ik me vermeten,
daarom liet ik bevend mijn geslacht
door een vreemde man omsluiten,
en heb me zelfs daardoor gezegend.
Nu heeft het leven zich gewroken:
nu heb ik jou, o jou ontmoet.
Ze gaat met wankele tred.
Ze kijkt omhoog; de maan loopt mee.
Haar donkere blik verdrinkt in licht.
De stem van een man spreekt:
Het kind dat jij ontvangen hebt,
mag jouw ziel niet tot last zijn,
o kijk, hoe helder het heelal schittert!
Er is een glans rondom alles,
jij drijft met mij op de koude zee,
doch een bijzondere warmte zindert
van jou naar mij, van mij naar jou.
Die zal het vreemde kind van geluk doen stralen,
je zult het voor mij, van mij baren;
jij hebt de glans in mij gebracht,
jij hebt mezelf tot kind gemaakt.
Hij neemt haar rond haar stevige heupen.
Hun adem zoent zich in het briesje.
Twee mensen gaan door het holst van de heldere nacht.
Calleno waak over mij
(anoniem Elisabethaans luitlied)
Zie ik de gratie die jou verlicht,
Jouw gouden haar, jouw engelengezicht,
Jouw azuren aders als d'hemelbogen,
jouw zilveren tanden, jouw kristallen ogen,
Jouw koralen lippen, jouw karmozijnen wangen,
Waar goden en mensen verliefd naar verlangen,
Smeekt mijn ziel, in stille ontroering gebracht,
tot God met groot ontzag,
Dat je mag leven, lang en in deugdzaamheid,
dan zal je plukken de vruchten der waardigheid.
Aan een roze jurk
(Théophile Gautier)
Wat ben je mooi in die jurk
die jou zo heerlijk uitkleedt,
die de welving van jouw borst onthult
en jouw heidense arm gans ontbloot!
Frêle als de vleugel van een bij,
fris als een hart van theeroosjes,
wentelt haar weefsel, liefkozend vermiljoen,
zich rondom jouw schoonheid heen.
Over de zijden opperhuid
glijdt een verzilverde flikkering,
en de stof stuurt haar roze schittering
als in een spiegel naar haar lichaam terug.
Waar haal je die vreemde jurk vandaan
die wel gemaakt lijkt van jouw vlees,
levend weefsel dat met jouw huid
vermengt haar roze schittering?...
Leven voor de dood
(Masha Kaleko)
Wat hierna komt, hoe kunnen we dat raden?
Doch als het waar is wat ik reeds dikwijls droomde
dan zal ik helaas moeten wederkomen
om wat ik hier verzuimde alsnog in te halen.
Nooit stoorde me de beknoptheid van dit bestaan
Mij volstaat wat me te beurt viel, wat ik verdroeg.
Nogmaals alles van voor af aan? Nee, grootheidswaan.
Heer, gun me mijn rust. Ik heb genoeg.
Ach God, ik ben vol treurigheid...
(Else Lasker-Schüler)
Ach God, ik ben vol treurigheid...
Neem mijn hart in je handen -
tot de avond zal stranden
in een bestendige terugkeer van de tijd.
Ach God, ik ben zo moe, ach God,
de wolkenman en zijn vrouw
zij spelen met mij hemelsblauw
in de zomer steeds, lieve God.
En geloof onze maan, God,
want die omhult me met haar schijn
als was ik hulpeloos en klein.
Een vlammetje ziel.
Ach God, ook al is het vol fouten -
neem het toch in je handen...
zodat het lichtend in jou kan stranden.
Abendempfindung
muziek W.A. Mozart, tekst Joachim Heinrich Campe
Avond is het, de zon is verdwenen
en de maan straalt zilverglans;
zo vervliegen de mooiste uren van 't leven,
ze flitsen voorbij als in een dans.
Dra stopt het bont toneel van 't leven,
en rolt het doek af.
Uit is ons spel, tranen van vrienden
stromen al over ons graf.
Dra wellicht (als een zachte westenwind
waait me een flauw vermoeden tegemoet)
beëindig ik de pelgrimstocht van 't leven,
vlieg ik naar 't land van de rust voorgoed.
Komen jullie dan aan mijn graf schreien,
treurend mijn as aanschouwen,
dan, vrienden, zal ik aan jullie verschijnen
en wuif ik jullie naar d'hemelgouwen.
Schenk ook jij mij een traantje
en pluk me een viooltje voor op mijn graf,
en kijk dan met jouw bezielde blik
minzaam op mij neer.
Ween me een traan, en ach,
schaam je toch niet ze aan mij te wijden;
o, die zal dan in mijn kroon
de mooiste parel blijken!